Visie


"Daldeejen kun je bewust spelenderwijs"

 

Om het daldeejen te begrijpen zijn mijn ideeën over de lessen lichamelijke opvoeding en sportieve buitenlesactiviteiten belangrijk. Het algemene streven is dat mensen een leven lang gezond bewegen. Op school maken leerlingen daartoe kennis met allerlei manieren van bewegen. De school verzorgt een introductie in de bewegingscultuur. Bij deze introductie worden bewust spelenderwijs vier bedoelingen geconcretiseerd.

  1. Gezond bewegen (Gezondheid)

  2. Bewegen beleven (Plezier)

  3. Bewegen regelen (Samen)

  4. Bewegen verbeteren (Prestatie)

NB: tussen haakjes staan de doelstellingen zoals ze werden vernoemd in een referaat van JC Kan “Over onderwijsleerstof ” in 1969. Er voor staat de huidige officiële benaming uit het Basisdocument Bewegingsonderwijs, 2007.

 Het met leerlingen concretiseren van deze bedoelingen valt onder het daldeejen.

De vier bedoelingen komen in elke les en buitenlesactiviteit aan de orde. Een les kun je vergelijken met een maaltijd. Een echte maaltijd bestaat uit koolhydraten, eiwitten, vetten en minerale zouten. Een maaltijd bestaande uit enkel vetten is niet te vreten. De maaltijd is het lekkerst als het een mix is. Dat geldt ook voor lessen/buitenlesactiviteiten in het bewegingsonderwijs. Een mixed van Plezier, Samen, Gezond en Prestatie leidt tot een fijne les en dat is voor mij voor mij daldeejen.

In 1976 werd ik aangesteld op het Peellandcollege met de opdracht om sportieve buitenlesactiviteiten voor de leerlingen te organiseren. De eerste activiteiten waren toernooien in de vakanties en de wekelijkse sportinstuif op de vrijdagmiddag waar leerlingen konden jumpen, voetballen, basketballen en volleyballen. De toenmalige leerlingen bleken het leuk te vinden. De activiteiten waren “Bewegingsgericht”. Er was geen sprake van veel uitleg over bijvoorbeeld technieken. Leerlingen “luisterden” in een veilige situatie naar het eigen bewegen en genoten. De opkomst op de vrijdagmiddagen was massaal. In de sporthal en in de twee gymzalen was het een georganiseerde chaos. Aanwezigheid was vrijblijvend. Leerlingen konden komen en gaan wanneer ze wilden. De meeste leerlingen bleven een lesuur.

Vanaf 1990, bij de start van de jongleergroep Hebbes, werd het anders aangepakt. “TOF”ontstond. De manier van bewegen in het hele buitenlesprogramma veranderde van “Bewegingsgericht” naar “Sportgericht”. De sportinstuif verdween. Het jumpen werd op verschillende niveaus in moeilijkheidsgraad aangeboden. Het presteren werd belangrijk. De prestatievergelijking met een ander en de individuele prestatievergelijking worden nagestreefd. Dit leidt tot succeservaringen. Het is TOF als je beter wordt dan je was: TOFsport! En het is hartstikke fijn te spelen met een eerder geleerde vaardigheid. Een zelfde aanpak vinden we bij de jongleergroep Hebbes.